|
|
Het VeeNombre de versets (ayats): 165Affichage: 51-60
Imprimer la page 6.52. En verdrijf niet degenen die hun Heer morgen en avond aanroepen, Zijn aangezicht zoekend. Gij zijt volstrekt niet verantwoordelijk voor hen, noch zijn zij enigermate verantwoordelijk voor u. Zoudt gij hen verdrijven, dan zult gij tot de onrechtvaardigen behoren. 6."53. En op deze wijze hebben Wij sommigen hunner door anderen beproefd, zodat zij kunnen zeggen: ""Zijn dezen het, die Allah onder ons heeft begunstigd?"" Kent Allah degenen die dankbaar zijn niet het beste?" 6."54. Wanneer degenen die in Onze tekenen geloven, tot u komen, zeg dan: ""Vrede zij u."" Uw Heer heeft barmhartigheid op zich genomen, dus wie uwer in onwetendheid kwaad doet en daarna berouw heeft en zich verbetert, (voor hem) is Hij Vergevensgezind, Genadevol." 6.55. En zo zetten Wij de tekenen uiteen opdat de weg der schuldigen openbaar worde. 6."56. Zeg: ""Het is mij verboden degenen, die gij naast Allah aanroept, te aanbidden. Zeg: ""Ik wil uw boze neigingen niet volgen. In dat geval zal ik tot de dwalenden behoren en niet tot hen die het rechte pad volgen.""" 6."57. Zeg: ""Ik ben op de rechte weg van mijn Heer en gij verloochent die. Maar wat gij verhaast is niet in mijn macht. De beslissing berust slechts bij Allah. Hij zet de waarheid uiteen en Hij is de beste der seheidsrechters.""" 6."58. Zeg: ""Als hetgeen gij verhaast in mijn macht was, zou de zaak voorzeker tussen u en mij reeds zijn beslist. En Allah kent de onrechtvaardigen met beste." 6.59. En bij Hem zijn de sleutels van het onzienlijke, niemand kent dit, behalve Hij. En Hij weet wat op het land en wat in de zee is. En er valt geen blad zonder dat Hij het weet, noch is er een korrel in de duisternis der aarde, noch iets dat groen of droog is, zonder dat het in een duidelijk Boek is vermeld. 6.60. Hij is het, Die uw ziel in de nacht neemt en weet hetgeen gij overdag doet, daarna wekt Hij u weder op, opdat de vastgestelde termijn moge worden voltooid. Dan is uw terugkeer tot Hem. Daarna zal Hij u inlichten over hetgeen gij deedt. |
|